Informatiefiche Afstandsregels voor het planten van bomen en struiken

29/02/2024

Langs naburige percelen gelden sinds september 2021 de afstandsregels die in het Burgerlijk wetboek vermeld staan. Dat houdt in dat elke (nieuwe) houtige beplanting die je hoger dan 2 m wil laten worden, op minstens 2 m van de perceelsgrens moeten staan. Bomen, struiken, hagen… die lager blijven, mag je tot uiterlijk 0,5 m van de perceelsgrens aanplanten. De uitzondering hierop zijn beplantingen die niet hoger reiken dan een bestaande afsluiting tussen percelen, dan mogen die tot aan die afsluiting komen. Gemeentelijk kunnen er strengere regels gelden, dus ga dit best na bij je gemeentebestuur.

Langs hoogspanningsleidingen mag je normaal geen aanplantingen hoger dan 3 m binnen een afstand van 20 m langs de lijn aanplanten. De regels kunnen echter verschillen afhankelijk van de spanning die op een leiding ligt. Je bent verplicht het technische secretariaat van Elia te contacteren. Een kaart met het hoogspanningsnetwerk kan je hier raadplegen: HoogspanningsNet Netkaart.

Langs gasleidingen is het verboden om binnen een afstand van 3 m langs de leiding bomen of struiken te planten die niet op de lijst staan van toegelaten bomen en struiken, zolang je die niet hoger laat worden dan 2,5 m. Ze maken in die lijst onderscheid tussen loofbomen, naaldbomen, hagen en laagstam fruitbomen. Tot binnen 15 m langs de leiding ben je wettelijk verplicht om elk soort werken schriftelijk te melden bij Fluxys, ten laatste 15 werkdagen voor de werken starten. Dat is via hun adres Fluxys Belgium NV - Kunstlaan 31, 1040 Brussel of via hun e-mailadres infoworks@fluxys.com.

Om verassingen over de aanwezigheid van bepaalde leidingen te voorkomen, kan je op het Kabel- en Leidinginformatieportaal (of KLIP) een KLIP-planaanvraag doen. Dit is overigens verplicht bij het uitvoeren van grondwerken die schade kunnen veroorzaken aan kabels en leidingen, ga hier na wanneer dat het geval zou kunnen zijn.

Langs autosnelwegen is het verboden om in de eerste 10 m van de vrije stroken hoogstammige bomen te planten. Daarmee worden bomen bedoeld die op een hoogte van 1 m een stamomtrek groter dan 100 cm hebben. Langs uit aansluitingscomplexen van autosnelwegen mag niets dat hoger dan 1 m wordt, geplant worden. Langs gewestwegen hanteert het Agentschap Wegen en Verkeer de regels uit het opgeheven Koninklijk Besluit van 1934. Beplantingen hoger dan 1,5 m zijn op minstens 2 m achter de grens van het openbaar domein of rooilijn te planten. Ter hoogte van een wegaansluiting mogen beplantingen slechts 0,75 m hoog worden. Om een levende haag als afsluiting van gewestweg te gebruiken, moeten die lager dan 1,5 m gehouden worden via snoeibeheer en mag die op uiterlijk 0,5 m van die grens geplant worden. Contacteer het Agentschap bij twijfel voor advies.

Langs spoorwegen moet de plantengroei langs de spoorwegen minimaal 1,5 meter korter gehouden worden dan de afstand tussen de voet van de plant en de dichtstbijzijnde spoorstaaf. De kap- en snoeiwerken moeten worden gepland voordat de plantengroei deze maximumhoogte bereikt. Bomen die je wil laten uitgroeien tot hun maximale boomhoogte, moet je dus tot op die hoogte + 1,5 m afstand aanplanten. Plantengroei achter muren die langsheen de sporen zijn opgetrokken, moet op dezelfde hoogte van deze muren worden gehouden. De infrastructuurbeheerder kan alle niet-kruidachtige plantengroei op een afstand van minder dan 8 meter van de spoorstaven verbieden, indien deze plantengroei de veiligheid van het treinverkeer in gevaar kan brengen. Voor de baanvakken waar de toegestane snelheid boven de tweehonderdtwintig kilometer per uur ligt, zijn er binnen een zone van 25 meter vanaf de dichtstbijzijnde spoorstaaf enkel kruidachtige gewassen toegestaan.

Langs waterlopen mogen nooit naaldbomen op minder dan 6 m aangeplant worden langs elke soort waterloop. Bij bevaarbare lopen geldt het Scheepvaartdecreet, Art. 22. Daar mogen geen werken of beplantingen worden uitgevoerd zonder voorafgaande machtiging van de beheerder van de waterweg binnen de ruimtelijke uitgestrektheid van de erfdienstbaarheid van jaagpad en oevererf, voor erven waarbij die zijn bewaard. Voor onbevaarbare waterlopen en publieke grachten mogen geen opgaande bomen binnen de 5 m erlangs geplant worden, tenzij ze minstens 12 m van elkaar geplant worden of ze onderdeel zijn van een houtkant die regelmatig teruggezet wordt, waaronder ook op vraag van de waterbeheerder m.b.t. de toegankelijkheid. Dichter kan eventueel wel met schriftelijke toestemming van de beheerder. Die moet wel de toegang tot de waterloop blijven hebben, alsook de ruimte om de waterloop te beheren. Op de kaart Waterlopen en grachten (arcgis.com) kan je de geklasseerde waterlopen terugvinden, met hun beheerder. Een overzicht van de beheerders van niet‑geklasseerde waterlopen en contactgegevens van bovenlokale beheerders vind je hier terug.